Leefmilieu

Participatie en milieu

In dit tijdperk waarin de NIMBY-mentaliteit (not in my back yard) is uitgegroeid tot een maatschappelijk fenomeen dat een zware druk legt op heel wat projecten, is de participatie van het publiek een must geworden op het vlak van het leefmilieu.

 

Het is weliswaar zo dat de milieuwetgeving in het Waals Gewest in een eerste fase voorziet in de consultatie van de buurtbewoners vóór elke milieueffectenstudie en in een tweede fase een openbaar onderzoek en een overlegvergadering oplegt. Maar die vergaderingen zijn vaak de aanleiding tot het formuleren van allerlei eisen en de verwerping in blok van het ontwerp, ongeacht de concrete inhoud ervan.

Bovendien gaat men er doorgaans ten onrechte van uit dat het studiebureau "in dienst" is van de opdrachtgever, vermits die laatste instaat voor de vergoeding van het bureau; we wijzen er echter op dat het bureau wordt erkend door het Gewest, dat ook de kwaliteit van het geleverde werk controleert. De aanvrager, van zijn kant, beschouwt het studiebureau vaak als een beperking voor de ontwikkeling van zijn project. Het studiebureau staat dus eigenlijk "tussen twee vuren" en moet getuigen van voorbeeldige communicatieve vaardigheden. Het dient dan ook steeds meer de rol van bemiddelaar op zich te nemen om zijn geloofwaardigheid naar alle partijen toe te handhaven.

Een voorbeeldcase voor AGORA was onmiskenbaar de milieueffectenstudie van het voorontwerp van het Gemeentelijke Plan van Aanleg van de oude papierfabriek van Genval. Dat was een bijzonder delicaat dossier omdat er zeer uiteenlopende belangen mee gemoeid waren : de mogelijkheid om een industriële stadskanker te opwaarderen, een grootschalige vastgoedoperatie, wijziging van het levenskader, gezondheidsproblematiek rond de bodemverontreiniging,…

AGORA heeft daarbij geopteerd voor een proactieve participatieve aanpak in samenspraak met de openbare actoren, de eigenaar en de buurtbewoners.

In theorie biedt de voorafgaande consultatie van de bevolking de buurtbewoners de kans om kennis te nemen van het voorgestelde project en opmerkingen, voorstellen en alternatieven aan te brengen. Bovendien krijgt het studiebureau op die manier een bredere kijk op de belangen die op het spel staan vanuit het oogpunt van elke partij (gemeente, bevolking, …) en kan het uitgaande daarvan een aangepaste methodologie uitwerken voor de uitvoering van de milieueffectenstudie. Maar in de praktijk blijkt al gauw dat die eerste vergadering doorgaans voor de bevolking systematisch een eerste stap van algemeen verzet is, nog voordat ze de terdege kennis heeft genomen van de inhoud van het project.

Bijgevolg vormt die eerste stap een doorslaggevend element in het participatieproces. Het studiebureau moet daarom de bevolking uitnodigen om op een constructieve manier mee te werken door zijn rol en zijn voorstellen voor de aanpak van het project uiteen te zetten. Heel belangrijk is dat het bureau zich vanaf die eerste kennismaking voorstelt als een onafhankelijke expert ten dienste van de duurzame ontwikkeling, die tot taak heeft de diverse eerder genoemde belangen met elkaar te verzoenen, en dus niet overkomt als een louter technische expert die door de aanvrager is aangesteld. Op die vergadering worden de eerste bruggen geslagen tussen de betrokken partijen en de bevolking, en moet de basis voor het wederzijds vertrouwen worden gelegd.

Volgens de wet was de volgende opgelegde stap in het participatieproces de overlegvergadering. Die greep plaats op het einde van het openbaar onderzoek in aanwezigheid van het studiebureau AGORA. Maar zowel de aanvrager als AGORA waren van mening dat die stap te laat zou komen en de bevolking niet in staat zou stellen om zijn mening te uiten met kennis van zaken. Daarom werd AGORA uitgenodigd om mee te werken aan een bijkomende participatieve stap op initiatief van de gemeentelijke verantwoordelijken. Die stap vond plaats bij de aanvang van het openbaar onderzoek in de vorm van een informatievergadering met voorstelling van de milieueffectenstudie in kwestie.

Tijdens die vergadering konden de methodologie en de resultaten van de studie op een toegankelijke, begrijpelijke en didactische manier worden toegelicht. De studie en de samenvatting worden weliswaar ter beschikking gesteld van het publiek, maar die twee documenten worden niet altijd geraadpleegd door de buurtbewoners, hetzij wegens tijdgebrek, uit angst dat men de te technische teksten niet zal begrijpen, of nog omdat men denkt dat het toch te laat is om nog iets te veranderen aan het project.

De informatievergadering voor het publiek had dus tot doel om de sleutelelementen en de conclusies van de studie voor te stellen aan de bevolking op een didactische, geïllustreerde manier die voor iedereen toegankelijk is, zonder de technische elementen te negeren, om aldus de transparantie van de gebruikte methodologie te garanderen.

 

De doeltreffendheid van die vergadering hing af van verscheidene factoren :

  • vertrouwen en wederzijds luisteren
  • pedagogie en didactiek
  • openheid van alle aanwezigen en een constructieve aanpak.

In die geest maakte de vergadering het mogelijk om de bevolking te betrekken bij dit project en de kans te geven om met kennis van zaken constructieve opmerkingen en voorstellen aan te brengen over de inhoud van het ontwerp, zowel tijdens het openbaar onderzoek als op de overlegvergadering.

Dit experiment heeft het mogelijk gemaakt om te luisteren naar de buurtbewoners en hun voorstellen te integreren (zie positief advies van de CWEDD over de opportuniteit van het project) en verder te gaan met een project dat door alle betrokkenen als positief werd ervaren.

Het ging om een eerste stap naar het terugdringen van de systematische verwerpingen van het type NIMBY en een constructieve aanpak in de geest van een duurzame ontwikkeling waarbij economische, sociale en milieubelangen met elkaar worden verzoend.

 

  Voor meer inlichtingen kan u contact opnemen met Nathalie Ninane.

 


© agora, 22.09.06
Site in doorlopende tekst